Al jaren scheur ik
recepten uit allerlei bladen en reclamefolders. Sinds we samenwonen hebben deze
scheursels een duidelijker doel dan ooit. Per vijf recepten maak ik een
boodschappenlijstje en doet vriendlief de boodschappen. Vijf. Want we hopen
iedere week vijf keer samen te eten. Iets wat lang niet altijd lukt, maar een
hardnekkige wens blijft. Zo eten we altijd iets nieuws, iets anders, iets van
een recept en dus iets verrassends. Soms valt het tegen, soms is het eigenlijk
heel gewoontjes en soms is het erg lekker. De recepten die in de laatste
categorie vallen, schrijf ik in een schriftje. Ooit, als ik later bejaard en
gerimpeld ben, heb ik een schriftje vol lekkere recepten.
Vroeger - in mijn jeugd, toen ik nog thuis woonde, mijn ouders nog bij elkaar waren en we iedere avond keurig met z'n vieren aten- kookte mijn moeder. De Allerhande nam ze vaak mee, maar ze ging er heel anders mee om dan ik dat nu doe. Mijn moeder kookte volgens redelijk vaste ‘regels’ en wij vonden slechts
af en toe iets nieuws op tafel. Zoals het hoorde, of gebruikelijke was, denk ik.
De meeste avondmaaltijden bestonden uit het standaard trio
aardappels, vlees en groenten. Gekookte aardappels meestal. Alleen voor hutspot
werden ze gestampt en in de zomer mochten ze gebakken. Omdat drie van de vier
eters niet zo gek waren op aardappels en standaard groene pepersaus of
appelmoes over de groenten gooiden, werd de drie-eenheid afgewisseld met
klassiekers als macaroni of spaghetti, altijd met dezelfde tomatensaus, of nasi
of bami, altijd met dezelfde mix van groenten. Eens per week aten we ’s avonds brood,
met een gebakken eitje of ragout. Op zondag werd er afgehaald. Patat met
kroketten. De enige ‘rare’ tafelmanier kwam van mijn vader: bloemkool met
pindasaus.
Tijdens mijn puberteit veranderde er iets. Misschien doordat
we waren verhuisd, misschien doordat mijn oma overleed, misschien doordat wij
ouder werden, maar misschien wel omdat de supermarkten ook andere dingen gingen
verkopen. Ik weet niet wat de reden was, maar er veranderde iets.
Gekookte mosselen. Witlof met blauwschimmelkaas en spek.
Pasta met roomsaus en zalm. Brood met mayo en makreel. Er kwamen dingen uit de
keuken, op de eettafel, die wij ons meer dan goed lieten smaken. Dingen die we
tot dan toe alleen buiten de deur aten. Zelfs het afhalen veranderde. Eerst
werden de kroketten naar wens vervangen door berenklauwen, pikanto’s,
satekroketter of mexicano’s. Daarna mocht een keuze worden gemaakt uit
snackbar, chinees, shoarma of pizza.
Ik ging het huis uit en trof drie huisgenoten die zich, in
mijn ogen, uitleefde in de keuken. Ik proefde nieuwe dingen, werd gestimuleerd
om zelf steeds andere dingen op tafel te zetten en begon koken leuk te vinden.
Natuurlijk hielp het ook dat ik vaker buiten de deur at en ook zo steeds meer
verschillende dingen wist te onderscheiden.
Jaren later, tijdens een telefoongesprek, begon mijn moeder
over een nieuwe groente die ze had uitgeprobeerd. Een courgette. Iets dat ik
toen al vier jaar in mijn pannen deed. Ik legde uit hoe ik kookte. Vertelde
over andere lekkere, en makkelijke, groenten. Ik merkte dat ze wel wilde, maar
twijfelde en stuurde een aantal recepten op. Om mee te beginnen.
Inmiddels kookt lief bijna iedere avond. Omdat hij het leuk
vindt en omdat hij meestal eerder thuis is. Onze keuken is eigenlijk zijn
keuken. Ik begin het koken te missen, eens per maand recepten scheuren en
bundelen is niet genoeg. Ik wil, en ga dus, een aantal van die recepten graag zelf maken. Maar wie van ons
ook kookt, iedere avond staat er iets anders op tafel, iets lekkers, en als ik
denk dat ze er iets mee kan, stuur ik een bundeltje van die recepten naar mijn
moeder.